"Vluchtelingen kan je niet blijvend afwijzen"

Joodse vrouw op Exodus-1947 steunt Palestijnen op Al-Awda-1988


ATHENE - Een beetje verlegen, zenuwachtig en verward door de drukte om haar heen, vertelde Miriam Algazi gisteren in Athene het verhaal van haar leven. Het is het verhaal van het joodse volk, het verhaal van uitroeiing en overlevingsdrang. Miriam Algazi is joodse en was één van de 4.500 opvarenden die in 1947 op het Exodus-schip een toevlucht zochten in wat het jaar daarop de staat Israël zou worden. Vandaag zou ze graag meevaren op het Al Awda-schip van de Palestijnse ballingen omdat ze meevoelt met wat hen beweegt: "Zoals de joden in 1947, zo blijven ook vandaag de Palestijnen verstoken van een thuisland".

Toen de jongste wereldoorlog uitbrak woonde Miriam Algazi, thans 53, in Boedapest. Met het gezin vluchtte zij naar Joegoslavië waar ze tot het eind van de oorlog verborgen werd gehouden. Haar vader werd doodgeschoten in Belgrado, haar moeder stierf in het Oostenrijks koncentratiekamp Lichtenwört bij Wenen.

Miriam Algazi was een meisje van dertien toen ze lid werd van een joodse jongerengroep en samen met haar vriendinnen inscheepte op de Exodus: "We wilden naar een land waar het veilig zou zijn, eens en voor goed. Vandaag echter leef ik in vrees voor mijn toekomst en heb ik twijfels om in Israël die veiligheid te vinden. Deze veiligheid kan niet bereikt worden als de Palestijnen geen zelfbeschikking krijgen en als wij hun recht niet erkennen om een eigen staat op te bouwen."

Miriam Algazi staat ons te woord in het Hebreeuws. Thans leeft zij in Ramadgan, waar ze verslaggeefster is bij het Israëlisch blad Zo Haderech, het blad van de kommunistische Rakah-partij.


Inscheping

Zij vertelt over de Exodus-1947, toen ze met 4.500 inscheepten in het Franse Port-de-Bouc en toen het schip onder Britse druk werd opgehouden in de nabije haven van Sète: "Wij zaten opeengehoopt op een veel te klein schip, maar iedereen wilde weg uit Europa. De bemanning van de Hagganah wist ons zonder loods buiten het toegangskanaai van Sète te krijgen. Later, toen we ons al in Israël waanden, kwamen zeven Britse oorlogsschepen rond ons varen. Wij bekogelden hen met konservenblikjes, stenen hadden wij niet. Eén van de Britse kommandanten werd geraakt, en zijn schip werd teruggetrokken. De anderen brachten ons tot in HaÏfa. maar we werden niet binnengelaten. Opnieuw werden wij de zee opgestuurd. Er waren kinderen aan boord, en zwangere vrouwen. Iedereen zat op elkaar gedrumd. Twee en een halve maand bleven wij rondvaren. Nergens waren wij welkom. Uiteindelijk kwamen wij terug in Duitsland. Stel je voor, de hele wereld wees ons af en we moesten terug aan land in Hamburg, voor ons het symbool van de nazi's."

Miriam Algazi heeft een dochter van 20, en een zoon van 27: "Gadi is een reservist in het Israëlisch leger. Hij werd aangehouden en zat negen maanden in de gevangenis omdat hij weigerde legerdienst te doen in de bezette gebieden."

Natuurlijk is er een verschil tussen de Exodus-1947 en de Palestijnse Al Awda-1988, zo zegt zij: "Het trauma dat wij beleefden met de holocaust is niet te vergelijken met wat de Palestijnen meemaken. Daarenboven werden wij vervolgd om ons geloof."

Zij weet ook dat zelfs sommige Palestijnen weigeren de vergelijking te ver door te trekken omdat velen onder hen de Exodus-1947 bekijken als deel van hun tragedie.


Vergelijking

Maar tegen de regering in Jeruzalem die de vergelijking afwijst door de Palestijnen een bende moordenaars te noemen die terugkeert naar de plaats van hun misdaad. zegt ze dat de huidige vice-eerste minuster Shamir in zijn tijd ook een terrorist is geweest.

De gelijkenis tussen de joodse Exodus en de Palestijnse Al Awda ligt, zo zegt ze, in het recht van de Palestijnen om in een eigen land te leven: "De Palestijnen nu blijven leven in vluchtelingenkampen, zoals de joden na de oorlog. Evenmin als de joden toen hebben de Palestijnen thans een staat of een thuisland. Mijn eigen geschiedenis als vluchteling en als balling vind ik terug in wat de Palestijnen vandaag overkomt."

"Jossi Harel, onze kommandant op de Exodus. zei voortdurend dat men vluchtelingen niet blijvend kan afwijzen. Ik ga daar volledig mee akkoord, en zeg vandaag over de Palestijnen hetzelfde. Diegenen die bommen plaatsen om de terugkeer van vluchtelingen tegen te gaan, bewijzen dat ze niet recht in hun schoenen staan".

Miriam Algazi sprak gisteren nog op een perskonferentie, als lid van een tienkoppige Israëlische afvaardiging die op de Al Awda wil inschepen. In die delegatie zitten drie leden van de Knesseth: Mohammed Miari van de Progressieve Lijst voor Vrede (PLP), die al een week in Athene verblijft, en Tawfiq Zayad en Charlie Biton van de kommunistische Rakah-partij die na de bomaanslag in Limassol, gisteren in Athene aankwamen uit Larnaca, waar zij hadden willen inschepen.

De eerste twee zijn Arabische, het derde Knesseth-lid is een joodse Israëliër. Samen met de acht andere delegatieleden en ook enkele journalisten uit Israël worden ze bedreigd met gerechtelijke vervolging wegens het onderhouden van kontakten met wat Jeruzalem beschouwt als staatsvijandige organizaties. Wellicht om die reden was geen enkele afgevaardigde van de PLO-organizatoren te zien achter de tafel waar de Israëlische delegatie de pers toesprak.

Tawfiq Zayad, die ook burgemeester is van Nazareth, zei nog dat de terugkeer van de Palestijnen niet alleen een humanitair recht is, maar ook een nationaal politiek recht. De centrale boodschap van wat hij de Al Awda-vredesmissie noemde is volgens hem drievoudig: de Palestijnen willen zelfbeschikking, ze willen een eigen staat, en de PLO moet erkend worden als enige en wettelijke vertegenwoordiger van de Palestijnen.


Mon Vanderostyne
Athene
17 februari 1988